Consistenter beeld met een paar uitzonderingen

Blog -

Aandelencijfers met wereldkaart

Door het ongunstige winterweer in veel welvarende economieën en de groeivertraging in China is het lastig te zeggen welke kant de wereldeconomie opgaat, maar geleidelijk ontstaat er een eenduidiger beeld. En dat bevalt me over het algemeen.

In Frankrijk en Italië laat de groei op zich wachten en ook op het gebied van structurele hervormingen staan deze landen nog voor grote uitdagingen. Han de Jong Han de Jong Chief Economist

De Amerikaanse zwakte van een paar maanden geleden blijkt tijdelijk, het Verenigd Koninkrijk dendert door, de eurozone doet het redelijk nu de perifere economieën zich herstellen, en de angst dat China de komende kwartalen een harde landing maakt, ebt weg. De domper van afgelopen week was de Ifo-index van het Duitse ondernemersvertrouwen, maar ik laat de daling daarvan mijn optimistische stemming niet verpesten. Overigens wonnen eurosceptische partijen terrein bij de Europese verkiezingen. Dat leidt in onze optiek niet tot een aanzienlijke vergroting van risico's.

De eurozone vindt langzaam de weg omhoog

Laat ik met de Ifo-index beginnen, dan hebben we het slechte nieuws maar gehad. Het Duitse ondernemersvertrouwen is licht afgenomen: de Ifo-index daalde van 111,2 in april naar 110,4 in mei, de laagste stand van dit jaar. De verwachtingen-component is voor de derde keer in de afgelopen vier maan-den gedaald. Het lijkt er dus op dat het ondernemersvertrou-wen zijn hoogtepunt heeft bereikt en weer afneemt. De vraag is wat er nu verder gebeurt. Het valt niet uit te sluiten – het is zelfs zeer waarschijnlijk – dat het ondernemersvertrouwen de komende maanden verder afzwakt. Hierbij kunnen wij echter wel enkele kanttekeningen plaatsen.

Duitsland lfo

Ten eerste zien we nu misschien de terugslag van het goede eerste kwartaal, toen de seizoensgecorrigeerde cijfers profiteerden van het zachte weer. Ten tweede worden mogelijk de gevolgen van de groeivertraging in China zichtbaar. Als een van de grootste exporteurs van kapitaalgoederen en auto’s ter wereld heeft Duitsland nauwere economische banden met China dan de meeste andere landen van de eurozone. Ten derde mag er in absolute zin sprake zijn van een daling van de (componenten van de) Ifo-index, hij staat historisch gezien nog steeds hoog.

Ik geef toe dat mij niet precies duidelijk is hoe ik dit alles moet interpreteren. Het groeitempo van de Duitse economie is zeker niet te laag, maar in het verleden groeide het BBP bij de huidige stand van de Ifo-index harder dan zij nu doet. Misschien zegt de Ifo-index meer over de richting waarin de conjunctuur zich ontwikkelt dan over de absolute groei, of duidt het historisch gezien grote vertrouwen erop dat de binnenlandse vraag momenteel een grotere bijdrage aan de groei levert dan in het verleden vaak het geval was. Uit de BBP-cijfers over het eerste kwartaal blijkt dat de binnenlandse vraag met 1,9% k-o-k (dus niet op jaarbasis!) is toegenomen en dat is de op één na grootste stijging sinds de Duitse hereniging. De investeringen zijn met maar liefst 3,2% k-o-k gegroeid. Dat is van wezenlijk belang, want een duurzaam herstel met aanzienlijke banengroei is niet mogelijk zonder een forse toename van de bedrijfsinvesteringen. Nu moet ik toegeven dat het zachte weer een rol heeft gespeeld, dus laat ik waken voor overdreven enthousiasme.

Vorige week zijn ook de voorlopige Markit PMI’s voor de eurozone gepubliceerd. Deze indicatoren van de stemming onder inkoopmanagers schetsen een zelfde beeld als de Ifo-index, namelijk dat het vertrouwen in de verwerkende industrie iets afneemt. De index voor de dienstensector is echter gestegen en de samengestelde index is slechts licht gedaald, van 54,0 naar 53,9.

Veel mensen maken zich vooral zorgen om Frankrijk en Italië en dat is begrijpelijk. De groei laat hier op zich wachten en ook op het gebied van structurele hervormingen staan deze landen nog voor grote uitdagingen. Verder moet er, zeker in Frankrijk, snel meer bezuinigd worden. Het Franse ondernemers-vertrouwen blijft zwak en lijkt in de marge verder te dalen. Wel onderkent de Franse en vooral de Italiaanse regering dat er hervormd moet worden en dat er stappen in die richting gezet moeten worden. Bovendien voorzien we voor deze landen geen grote crises en evenmin is het waarschijnlijk dat ze een nieuwe eurocrisis zullen veroorzaken. Zij staan voor de keuze lange tijd de hekkensluiters te blijven of hervormingen door te voeren en aan te haken bij de rest van de eurozone. Enkele indicatoren wijzen erop dat Frankrijk en Italië er mogelijk beter voor staan dan soms wordt aangenomen. Zo vertoont de Italiaanse economie wel degelijk tekenen van leven. De omzetten van de Italiaanse industrie bijvoorbeeld vertonen een opgaande lijn.

Italie industriele verkopen

De Europese Commissie kwam eveneens met hoopgevend nieuws. Haar meest recente index van het consumenten-vertrouwen, die over mei, is weer iets gestegen en staat nu op het hoogste peil sinds het begin van de crisis in 2008.

De Britse economie blijft boven verwachting (en zeker boven mijn verwachting) presteren. De woningmarkt trekt verder aan en echt niet alleen in Londen. De detailhandelsverkopen in april waren goed. Zij stegen met 1,8% m-o-m (exclusief auto’s), waardoor het j-o-j-cijfer op 8,9% uitkwam.

Wat beter nieuws uit Azië

Ook de economische indices uit Azië waren afgelopen week iets beter. De Chinese PMI-index van HSBC noteerde in mei een aanzienlijke stijging. Dit mag dan niet onze favoriete maatstaf voor het Chinese ondernemersvertrouwen zijn, we verwelkomen wel de stijging van 48,1 naar 49,7. Het was de tweede stijging op rij, wat erop wijst dat aan de neerwaartse ontwikkeling van het vertrouwen in de afgelopen maanden een einde is gekomen. Ook heeft de Chinese regering extra maatregelen genomen om de bedrijvigheid te stimuleren. Die twee feiten sterken ons in onze mening dat er geen verdere forse daling van de Chinese economische groei ophanden is.

De dit jaar gepubliceerde cijfers uit Japan zijn door twee dingen vertekend. Ten eerste had zware sneeuwval in delen van het land negatieve gevolgen voor de economie. Ten tweede heeft de verhoging van de omzetbelasting in april positief uitgewerkt op de bedrijvigheid in het eerste kwartaal, omdat consumenten aankopen vervroegd hebben. Na een vergelijkbare verhoging van de omzetbelasting in 1997 belandde de economie weer in een recessie. Alle ‘Japan-watchers’ houden dus angstvallig in de gaten hoe sterk de indices na april dalen. Het is nog te vroeg om hierover iets zinnigs te zeggen, maar de cijfers van afgelopen week waren niet slecht. Zo zijn de omzetten van warenhuizen in april met 12,0% m-o-m gedaald. Dat lijkt veel, maar in maart waren ze met 25,4% gestegen. Ook het ondernemersvertrouwen leed onder de verhoging van de omzetbelasting, al vertoont de voorlopige Markit PMI een licht herstel: van 49,4 in april naar 49,9 in mei.

Ik kijk vaak naar indices uit vroeg-cyclische economieën als Zuid-Korea en Taiwan (en enkele andere Aziatische landen) om te zien in welke richting de wereldeconomie zich zou kunnen ontwikkelen. Het is dan ook zeer positief dat de Taiwanese exportorders in april met 8,9% j-o-j zijn gestegen, het beste cijfer sinds medio 2011.

Taiwan export orders nl 

Weinig cijfers uit de VS

Het was vorige week in de VS rustig aan het cijferfront. De weinige die verschenen, pasten volgens mij in ons scenario van een geleidelijk aantrekkende groei. Zo veerde de voorlopige Markit PMI-index van het ondernemersvertrouwen, na een dalingen in de twee voorgaande maanden, in mei weer op en staat hij nu op 56,2 punten (was 55,4). De woningmarkt deed het niet geweldig, maar beter dan vorige maand. Toen vorig jaar de lange rente steeg, verslechterde de woningmarkt onmiddellijk. Een onwelkome daling, want de woningmarkt, inclusief de bouw, is een belangrijke aanjager van het herstel. Het is dan ook geen verrassing dat het beleidscomité van de Fed de woningmarkt met arendsogen volgt. Als de klad komt in het herstel van de woningmarkt, is het onwaarschijnlijk dat de Fed de monetaire teugels gaat aanhalen.

Anti-Europese partijen doen het goed

De verkiezingen voor het Europees Parlement (EP) hebben een opmerkelijke uitslag opgeleverd: in een aantal lidstaten boeken anti-Europa-partijen flinke winst. Dit was vooral het geval in Frankrijk, Griekenland en het Verenigd Koninkrijk, waar zij zelfs de grootste partij werden. Volgens de voorzitter van de Europese Commissie, José Barroso, komt deze verschuiving niet als een grote verrassing gegeven de “economische, financiële en sociale crisis” in de eurozone in de voorbije jaren. Aan de opmars van de anti-Europese partijen moet echter niet te veel gewicht toegekend worden. Door de uitslag kunnen nationale regeringen onder druk komen maar algemene verkiezingen zijn in de meeste lidstaten nog ver weg. Wel bestaat in Griekenland de kans dat Syriza erin slaagt volgend jaar algemene verkiezingen af te dwingen. De ontwikkelingen in Griekenland moeten dan ook nauwgezet gevolgd worden, zeker gezien de zich nog altijd voortslepende schuldproblematiek. Wanneer in de komende jaren nationale algemene verkiezingen worden gehouden, dan zal de uitslag vermoedelijk een heel ander beeld te zien geven. Bij de Europese verkiezingen worden immers veel proteststemmen uitgebracht. Bovendien is de eurozone de weg naar economisch herstel ingeslagen en gaat zich dit hopelijk vertalen in een daling van de werkloosheid. De economische situatie kan op het moment van nationale verkiezingen dus aanmerkelijk gewijzigd zijn. Al met al denken wij niet dat door de uitslag van de EP-verkiezingen de kans dat de Europese schuldencrisis weer opleeft, aanzienlijk is toegenomen.

Lees meer over

Discussieer mee

ABN AMRO is benieuwd naar uw mening. U kunt daarom onder dit artikel reageren via Disqus. Door te reageren gaat u akkoord met de voorwaarden.

Meer blogs

Filteren op