De cijfers geven ons niet vaak zó gelijk

Blog -

Aandelencijfers

Wij beweren al lang dat de wereldeconomie in de tweede helft van het jaar harder gaat groeien. De VS lopen daarbij voorop, op de voet gevolgd door Japan (voorlopig tenminste) en met Europa op gepaste afstand, terwijl de opkomende landen wat meer moeite hebben om de groei op te voeren. De jongste cijfers geven ons geen enkele aanleiding om van mening te veranderen: bij sommige cijfers, met name die voor het ondernemersvertrouwen, lijkt het zelfs of iemand precies halverwege het jaar een knop heeft omgezet om onze voorspelling te laten uitkomen!

De wereldeconomie groeit harder de tweede helft van het jaar. Han de Jong Han de Jong Chief Economist

Ondernemersvertrouwen sterk argument voor onze visie
De indices voor het ondernemersvertrouwen zijn de laatste tijd goed, beter dan verwacht zelfs. De grootste verrassing is ongetwijfeld de Amerikaanse inkoopmanagersindex ISM. Die is van 50,9 punten in juni naar 55,4 punten in juli geschoten en de onderliggende componenten van de index schetsen bovendien eenduidig een fraai beeld van hoge productie, robuuste orders, geringe voorraden en langere levertijden. Dat alles wijst op stijgende productie en investeringen in de komende maanden. Vooral indrukwekkend is de stijging van 4,5 punt in één maand. Het lijkt wel of iemand precies halverwege het jaar een knop heeft omgezet, en we zien nu een flinke toename van de groei. Natuurlijk schommelen de cijfers van maand tot maand en is dit slechts één indicator, maar de ISM-index heeft bewezen een goede maatstaf voor de algehele staat van de Amerikaanse economie te zijn. Op de dag waarop de ISM werd gepubliceerd, bleek ook weer eens dat zij de markt sterk kan beïnvloeden: de S&P500 steeg die dag met 1,25%.

Het wordt steeds duidelijker dat de Amerikaanse economie in de lift zit. Toegegeven, de stijgende rente op obligaties en de daaruit volgende stijging van de hypotheekrente heeft een negatief effect op de vraag naar hypotheken, maar de woningprijzen liggen duidelijk hoger dan vorig jaar. Volgens de Case-Shiller-index waren huizen afgelopen mei 12% duurder dan in mei vorig jaar. De geleidelijke verbetering van de arbeidsmarkt zet door, al viel het aantal nieuwe banen in juli tegen. Dat waren er niet meer dan 162.000, en bovendien viel het totale aantal banen 26.000 lager uit door neerwaartse bijstelling van de cijfers over de voorgaande maanden. De arbeidsmarkt is uiteraard een enorm belangrijke variabele, maar wel een die altijd achter de conjunctuur aanloopt. Bij omslagpunten als die waar we volgens mij nu in zitten, hinkt de omslag op de arbeidsmarkt altijd achter het ondernemersvertrouwen aan. Bovendien is het rapport over de salarisontwikkeling  van het Bureau of Labor Statistics niet de enige arbeidsmarktindicator en de meeste andere, zoals het ADP National Employment Report, de werkgelegenheids-component van de ISM-index en het aantal nieuwe aanvragen voor werkloosheidsuitkeringen, zien er steeds beter uit. Het lijkt ons waarschijnlijk dat ook het payroll er binnenkort aanzienlijk florissanter uitziet.

Niet alleen de vraag naar hypotheken en de werkgelegenheids-cijfers vielen wat tegen, ook de autoverkopen bleven in juli enigszins achter bij de verwachtingen. Ook dat zou het gevolg kunnen zijn van duurdere kredieten. Dat duidt er waarschijnlijk op dat het herstel nog steeds afhankelijk is van een lage rente en niet bestand is tegen langdurige rentestijgingen. Dat lijkt mij een goede reden om te verwachten dat de obligatierente de komende maanden niet veel verder zal stijgen. De markt begrijpt dat duurder krediet het herstel alsnog de das om kan doen, en mochten de kredietkosten blijven stijgen, dan zal de Fed maatregelen nemen om de rente weer omlaag te krijgen.

Europa roert zich
De VS waren niet de enige economie waar het ondernemers-vertrouwen in juli sterk is toegenomen. De PMI voor de industrie in de eurozone is gestegen van 48,7 punten in juni naar 50,3 in juli en staat daarmee voor het eerst in geruime tijd weer boven de 50. Deze ontwikkeling wordt bevestigd door de stemmingsbarometer van de Europese Commissie, die zowel naar het ondernemers- als het consumentenvertrouwen kijkt en die in juli relatief sterk is gestegen. Dat was de derde maandelijkse stijging op rij sinds de index in april 2012 zijn hoogste stand bereikte. Ook in het Verenigd Koninkrijk is het ondernemersvertrouwen fors toegenomen: de PMI is van 52,9 naar 54,6 punten gestegen. Hoewel het werkloosheidscijfer in de eurozone in juni gelijk is gebleven op 12,1%, is het absolute aantal werklozen licht gedaald. Dat kan uiteraard een eenmalig verschijnsel zijn, een gevolg van het goede toeristenseizoen in Zuid-Europa, maar een kentering in de stijgende lijn is zeer welkom, ook als die maar tijdelijk is.

De PMI van Japan is gedaald van 52,3 punten in juni naar 50,7 in juli. Daarmee staat ze in ieder geval nog boven de grens tussen op- en neergang van 50 punten en dat voor de vijfde achtereenvolgende maand. Abenomics had het vertrouwen, en ook de hardere economische cijfers, al eerder een flinke zet omhoog gegeven.

Meer problemen in opkomende landen
Het ondernemersvertrouwen in de opkomende landen geeft een veel wisselender beeld te zien. De verschillende Chinese PMI-indices bewogen zich in tegengestelde richting, maar die van de drie andere BRIC-landen daalden.

Waar komt dit door?
Het is volgens mij vrij duidelijk wat er achter deze ontwikkelingen zit. In de VS en Europa is het vooral het afnemende effect van negatieve factoren. De ergste bezuinigingen zijn in beide regio’s achter de rug en de inflatie is er bovendien gedaald: in de eurozone ligt die bijvoorbeeld een heel procentpunt lager dan een jaar geleden en dat levert reële koopkracht op. En ook het financiële stelsel is minder gespannen dan enkele kwartalen geleden. Dat verklaart uiteraard niet waarom de cijfers over juli opeens zoveel beter zijn dan die van de maanden ervoor. Waarschijnlijk is dat toeval en vallen de cijfers in augustus weer wat terug. Dat neemt niet weg dat de negatieve factoren minder belangrijk worden en dat – wanneer zich tenminste geen nieuwe problemen voordoen – de groeiversnelling in deze regio’s door zou moeten zetten.

De Japanse conjunctuur wordt gekenmerkt door Abenomics en de effecten daarvan op de financiële markten. Het gevolgde beleid en de sterke waardedaling van de yen in het laatste kwartaal van 2012 hebben de groei en het vertrouwen versterkt. Aan de waardedaling van de yen is echter een einde gekomen (voorlopig althans) en het op- en neergaande vertrouwen lijkt de schommelingen in de wisselkoers te weerspiegelen.

De opkomende economieën groeien nog altijd sneller dan de geavanceerde economieën, maar ze hebben door een combinatie van factoren moeite de groei verder aan te zwengelen. Om te beginnen voeren ze beleid om het inflatierisico te beperken en hun economieën af te koelen. Vooral in landen waar zich op de woningmarkt een zeepbel dreigt te vormen, zijn groeibeperkende maatregelen genomen. Ten tweede gooit China het roer om en richt het zich minder op uitvoer en investeringen in infrastructuur en meer op de binnenlandse consumptie. Dat brengt een geringere totale groei met zich mee. Verder maken de Chinese beleidsmakers zich naar verluidt ook enigszins zorgen over de sterke toename van de kredietverlening. De derde factor zijn de grondstoffenprijzen. Landen die grondstoffen uitvoeren, hebben de afgelopen vijftien jaar sterk geprofiteerd van vrijwel steeds stijgende prijzen, en daarmee is hun ruilvoet almaar verbeterd. Maar inmiddels stijgen de grondstoffenprijzen niet langer en zijn ze in veel gevallen zelfs gedaald, waardoor aan de goede tijden van de grondstoffenexporteurs een einde is gekomen. De vierde en laatste factor is het feit dat de spanningen in het financiële stelsel van de geavanceerde economieën, met name Europa, de kapitaalstromen naar de opkomende landen hebben ingedamd.

Het totaalplaatje
Het totaalplaatje laat een bescheiden groeiversnelling voor de wereldeconomie in de komende maanden en kwartalen zien. De VS lopen daarbij voorop. Japan volgt, al is het onzeker wat er volgend jaar gebeurt als de belastingen daar omhoog gaan. Europa zit midden in een overgang van gematigd negatieve naar gematigd positieve groeicijfers en dat proces zet door. Tot slot de opkomende economieën. Die zullen een weg naar duurzame groei vinden, al zal die groei minder sterk zijn dan tot voor kort. Harde landingen zijn echter onwaarschijnlijk.

Centrale banken en de herziening van het Amerikaanse BBP
Zowel de Fed als de ECB hebben vorige week een beleidsvergadering gehouden. De Fed kwam met een verklaring die iets accommoderender was dan de vorige. Voor ons geen reden om onze visie op het beleid van de Fed te herzien. De verklaring van ECB-president Draghi was lichtelijk verwarrend. Accommoderend was zijn uitspraak dat de marktverwachting dat de rente volgend jaar verhoogd zou worden, ongegrond was. Tegelijkertijd zei hij echter ook dat de ECB een verdere renteverlaging zelfs niet besproken had, wat de Raad van Bestuur eerder wel had aangegeven. Ook hier geen reden voor ons om van mening te veranderen.

Het Amerikaanse BBP is in het tweede kwartaal met 1,7% op jaarbasis gegroeid, duidelijk meer dan de analisten hadden verwacht. Verder kwamen Amerikaanse statistici met herzieningen van het BBP tot ver in het verleden: helemaal tot 1929 zelfs. Een van de herzieningen was een flinke neerwaartse bijstelling van het groeicijfer voor het eerste kwartaal van dit jaar. De bijstelling van het eerste kwartaal en de meevaller over het tweede neutraliseren elkaar wel zo ongeveer. Laten we dus niet al te enthousiast worden over de cijfers voor het tweede kwartaal. Wat mij betreft bevat deze herziening van de cijfers twee elementen die het vermelden waard zijn. Het eerste is het feit dat het nominale BBP nu zo’n 3,5% hoger is dan in de oude statistieken. Dat betekent een lichte verbetering van allerlei indices op basis van het nominale BBP. Zo vallen zowel het Amerikaanse begrotingstekort als het tekort op de betalingsbalans als percentage van het BBP iets lager uit, net als de staatsschuldquote. De tweede opmerkelijke herziening is die van de persoonlijke spaarquote. Die is naar boven bijgesteld, over de afgelopen paar jaar met ongeveer 1 procentpunt. Dat klinkt niet spectaculair, maar het laat zien dat er meer gespaard is dan we dachten en vooral dat het absolute niveau van de spaarquote, waar veel commentatoren aan refereren, sterk aan herziening onderhevig is.

Lees meer over

Discussieer mee

ABN AMRO is benieuwd naar uw mening. U kunt daarom onder dit artikel reageren via Disqus. Door te reageren gaat u akkoord met de voorwaarden.

Meer blogs

Filteren op