Duitsland - voorzichtig herstel getemperd door geopolitieke dreiging

PublicationMacro economy
3 minuten lezen

Een voorzichtige opleving blijft kwetsbaar voor hogere energieprijzen en geopolitieke onzekerheid. De sterke stijging van fabrieksorders eind 2025 vertaalt zich nog niet in een hogere industriële productie. De toewijzing van speciale fondsen voor defensie, infrastructuur en klimaat wint aan tempo.

Philip Bokeloh

Philip Bokeloh

Senior Econoom Nederland

De Duitse economie liet begin dit jaar eerste tekenen van verbetering zien. Zowel de IFO- als de ZEW‑indicatoren voor het economische sentiment stegen in januari en februari. De samengestelde PMI steeg in februari bovendien naar 50,9 en overschreed daarmee voor het eerst sinds juli 2022 de belangrijke grens van 50—normaliter een aanwijzing voor groei. De belangrijkste vraag is echter of dit momentum kan aanhouden gezien de recente escalatie van het conflict in het Midden-Oosten. Hogere energieprijzen en toenemende geopolitieke onzekerheid betekenen een nieuwe klap voor de energie-intensieve Duitse industrie en zullen waarschijnlijk het kwetsbare conjuncturele herstel belemmeren. We verwachten nu dat de economie dit jaar met 0,7% groeit en volgend jaar met 1,2%, vergeleken met eerdere ramingen van 1,0% en 1,3%. Ondanks het verbeterde sentiment waren de harde cijfers voor de industrie in januari teleurstellend. De fabrieksorders daalden met 11% maand-op-maand, al werd dit vertekend door uitzonderlijk grote orders eind 2025. Ook de industriële productie nam af, met 2,5%. De sterke stijging van orders eind 2025 heeft zich nog niet vertaald in hogere productie, omdat veel orders naar de al drukbezette defensiesector gingen. Op termijn zullen de hogere defensie-uitgaven de industriële productie en de volgens ons wel ondersteunen. In andere sectoren is er met een gemiddelde capaciteitsbenutting van slechts 77,5% meer ruimte. Hierdoor blijven de investeringen in machines en apparatuur ongeveer op hetzelfde niveau als tien jaar geleden. Ondertussen steeg het jaarlijkse aantal faillissementen naar het hoogste niveau in een decennium. De afnemende concurrentiekracht drukt op de exportgroei, terwijl de sterkere binnenlandse vraag de import doet toenemen—waardoor het handelsoverschot krimpt.

Het consumentenvertrouwen blijft zwak, ondanks een lichte verbetering begin 2026. Dit blijkt ook uit gematigde detailhandelsverkopen en zwakke autoverkopen. De inflatie daalde in februari tot 1,9% op jaarbasis, maar zal de komende maanden naar verwachting weer oplopen door hogere energieprijzen, wat de koopkracht onder druk zet. De arbeidsmarkt verzwakt eveneens: het aantal vacatures daalt, de werkloosheid stijgt en vakbonden hebben hun looneisen verlaagd vergeleken met vorig jaar, naar 5–7%. Per saldo zullen de reële inkomens stijgen, wat een impuls geeft aan de consumptie. Een lichtpunt voor huishoudens is de stijging van de huizenprijzen, die de vermogenspositie van huiseigenaren versterkt en gepaard gaat met meer transacties. De groei komt vooral uit verkopen van bestaande woningen, omdat het aanbod in de nieuwbouw nog steeds wordt beperkt. De bouwactiviteit blijft zwak door lange vergunningprocedures en hoge materiaal- en arbeidskosten, al kan de recente toename van bouwvergunningen later tot verlichting leiden. Sinds de goedkeuring van de federale begroting voor 2026 vloeit er meer overheidsgeld de economie in. De toewijzingen uit het defensiefonds stegen van 35 miljard euro in oktober tot 44 miljard euro in januari, wat bijdraagt aan hogere overheidsinvesteringen in apparatuur en transportmaterieel. Ook de toewijzingen uit het Infrastructuur- en Klimaatfonds zijn sterk opgelopen: van nul in september naar 29 miljard euro in januari. Deze fondsen zullen vooral de civiele bouwactiviteit ondersteunen, al kunnen vertragingen, capaciteitsbeperkingen en het overhevelen van middelen naar andere overheidsbestedingen de voortgang remmen. De overheidsfinanciën verslechteren door oplopende uitgaven en, in mindere mate, belastingverlagingen. Ondanks de belastingverlaging, steeg de totale belasting- en premiedruk in 2025 tot 42% van het bbp en zal deze verder toenemen.