ESG & Economie - Minder gratis emissierechten dwingt bedrijven tot meer koolstofarme actie

PublicationSustainability

De gratis emissierechten binnen EU ETS biedt de bedrijven die onder het emissiehandelsysteem vallen bescherming tegen concurrentie uit het buitenland. De toekenning van gratis emissierechten beperkt namelijk de kosten voor de ETS-bedrijven ten opzichte van concurrenten buiten de EU. Maar omdat dit systeem ook een rem zet op de investeringen in decarbonisatie, zullen deze gratis emissierechten worden afgebouwd tot nul in 2034. Vanaf dat moment moet een koolstofcorrectie aan de Europese grens (Carbon Border Adjustment Mechanism, CBAM) het verlies aan concurrentiekracht deels te minimaliseren. Met name voor de ETS-bedrijven in de industrie gaat hierdoor veel veranderen. In deze analyse belichten wij de trend in de koolstofkosten voor ETS-bedrijven in Nederland. Hiervoor gaan wij in op de structuur van EU ETS in Nederland, haar trends in ETS-emissies en hoe de balans eruit ziet tussen de gratis emissierechten versus de ETS emissies naar sector. Tot slot belichten we de impact van de afbouw van gratis emissierechten en de trends in koolstofkosten voor ETS-bedrijven richting 2030. We sluiten af met een conclusie.

  • Het EU ETS heeft sinds zijn lancering een positieve impact gehad op de reductie van CO2-uitstoot in Europa

  • Een afname in ETS-emissies van 1% in 2024 voor heel EU-27 staat haaks op de toename van ETS-emissies van 6% in Nederland

  • De mismatch tussen gratis emissierechten en werkelijke uitstoot binnen het EU ETS dwingt emissie-intensieve sectoren tot versneld decarboniseren om stijgende koolstofkosten te vermijden

  • Met een projectie aan de hand van het gemiddelde ETS-emissiereductietempo over de periode 2017-2024 resteert uiteindelijk een emissiegat van 35% in 2030 ten opzichte van het 2030-doel

  • Daarmee is de kans groot dat de koolstofkosten richting 2030 verder toenemen en investeringen in decarbonisatie zullen accelereren

EU ETS

Het EU ETS werd in 2005 gelanceerd. Inmiddels zijn 30 landen in Europa aangesloten (dit zijn alle 27 lidstaten van de EU plus IJsland, Liechtenstein en Noorwegen). Momenteel omvat het EU-ETS ongeveer 10.000 elektriciteitscentrales en industriële installaties. Daarmee is ongeveer 45% van de CO2-uitstoot in de EU gereguleerd door het EU ETS.

In Nederland ligt dit ETS-aandeel een fractie lager op 44%. Het betreft hier circa 330 stationaire bedrijven binnen EU ETS. Het aantal ETS-bedrijven is sinds 2013 gedaald met zo’n 70 bedrijven, onder andere door fusies, herlocatie en/of sluitingen van installaties. De industriële ETS-bedrijven hebben hierin een aandeel van bijna 60%. De energiesector en de overige sectoren hebben beide een aandeel van ongeveer 20%. Per saldo heeft het ETS-systeem voor de EU emissies een positieve impact. In 2024 is de ETS CO2-uitstoot van de EU-27 met zo’n 1% afgenomen. Deze afname staat echter haaks op de toename van bijna 6% op jaarbasis van Nederlandse EU ETS bedrijven in hetzelfde jaar. In Nederland hebben vooral de industrie en de luchtvaart bijgedragen aan deze toename. De afname van de uitstoot van de elektriciteitsproductie vlakte in Nederland iets af in 2024, terwijl deze sector in de EU-27 als geheel de belangrijkste aanjager was van de vermindering in de uitstoot van CO2. Zo daalde de uitstoot van de elektriciteitsproductie in de EU-27 met 12% in 2024. Dit kwam vooral door meer hernieuwbare bronnen en kernenergie en een afname in het gas- en steenkoolverbruik.

ETS emissies versus gratis emissierechten

Voor de uitstoot van CO2 krijgen ETS-bedrijven in de EU vrije emissierechten toebedeeld om zo te kunnen concurreren met bedrijven buiten de EU die onder minder strenge klimaatwetgeving vallen. Maar binnen het emissiehandelsysteem kan er per saldo een mismatch zijn tussen de werkelijke emissies en de gratis emissierechten. Als de uitstoot van een bedrijf onder EU ETS hoger is dan de gratis emissierechten die zij daarvoor hebben ontvangen, dan moeten deze bedrijven extra emissierechten kopen van andere marktdeelnemers of op veilingen om het tekort aan te vullen. Als de uitstoot lager is dan de gratis emissierechten, dan kunnen ETS-bedrijven hun overschot aan emissierechten verkopen of bewaren voor toekomstig gebruik. De toewijzing van gratis emissierechten wordt afgestemd op het emissieniveau van de 10% beste bedrijven. Op die manier blijft er een stimulans voor de minst efficiënte bedrijven om hun uitstoot te verminderen.

Binnen het EU ETS in Nederland zijn twee emissie-intensieve sectoren zwaar vertegenwoordigd. Zo heeft de industrie een aandeel van 57% in de ETS-emissies en de energiesector is goed voor 38%. De resterende 5% komt voor rekening van overige sectoren (zoals gebouwde omgeving). Het aantal gratis emissierechten ligt in de energiesector relatief laag. De gedachte hierachter is dat energiebedrijven beter in staat zijn om hun hogere koolstofkosten door te berekenen aan haar eindgebruikers. Dit komt doordat zij veel minder internationale concurrentie ondervinden en de productie en het gebruik regionaal georiënteerd zijn. Dit betekent ook dat de kans op koolstoflekkage relatief laag is. Met een laag aantal gratis emissierechten en een stijgende CO2-prijs (en dus koolstofkosten) is de CO2-uitstoot in de energiesector scherp afgenomen. Bij industriële bedrijven ligt het aantal gratis emissierechten veel hoger, omdat de kans op koolstoflekkage in deze sector veel hoger is door de hogere internationale concurrentie. Met de daling van het aantal gratis emissierechten is de CO2-uitstoot ook hier afgenomen.

In de bovenstaande rechter figuur staat de balans weergegeven tussen het aantal ETS-emissies en de gratis emissierechten per sector. De sectoren boven de horizontale as ontvangen jaarlijks meer gratis emissierechten dan dat zij uitstoten. Voor de sectoren die onder de horizontale as staan geldt het omgekeerde. Deze ETS-bedrijven hebben een tekort aan emissierechten en moeten deze aanschaffen door veilingen of op een secundaire markt. Uit de figuur blijkt duidelijk dat de basismetaalindustrie (met name de staalsector) jaarlijks een surplus heeft aan emissierechten, terwijl alle overige sectoren aangewezen zijn op het kopen van emissierechten voor hun teveel aan CO2-uitstoot. Met name energiebedrijven moeten aanzienlijk meer emissierechten aanschaffen, wat voor deze bedrijven een stimulans is om in een hoger tempo te decarboniseren.

Koolstofkosten

Het uiteindelijke doel van EU-ETS is om de uitstoot van CO2 in 2030 met 62% te verminderen ten opzichte van het niveau van 2005. Dit doel geldt ook voor Nederland. In onderstaande linker figuur zijn de CO2-emissies van alle ETS-bedrijven samen met de groene lijn weergegeven. Deze lijn splits zich na 2024 in een groene stippellijn (dit is het Nederlandse 2030 ETS-doel) en een donkergroene lijn. Met deze laatste lijn wordt het emissiepad weergegeven als het reductietempo in emissies wordt aangehouden die is gerealiseerd in de post-Parijs periode (2017-2024). Zodra we dit emissiereductiepad volgen, dan resteert dit uiteindelijk in een emissiegat van 35% in 2030 ten opzichte van het 2030-doel. Dit betekent dat de genomen klimaatmaatregelen in de periode 2017-2024 nog onvoldoende zijn om het beoogde doel te bereiken.

De gele lijn in onderstaande linker figuur geeft de gratis emissierechten weer in tonnen CO2. Sinds 2013 nemen deze rechten langzaam af. In de komende jaren tot aan 2034, met name na 2027, worden deze rechten sneller afgebouwd naar nul (zie de gele stippellijn na 2024). Het gearceerde gedeelte in de figuur geeft het aantal tonnen CO2 weer waarvoor door de tijd heen emissierechten voor gekocht moeten worden via veilingen of secundaire markten.

Volgens inschattingen van het Economisch Bureau van ABN AMRO zal de stijgende trend in de CO2-prijs op de langere termijn aanhouden. Onze 2034 CO2-prijsverwachting gaat uit van circa EUR 200 per ton CO2, tegen een huidig niveau van EUR 78 per ton CO2 (zie voor meer informatie onze publicatie hier). En daarmee nemen de koolstofkosten voor bedrijven die onder het ETS-systeem vallen de komende jaren ook toe zodra deze bedrijven niet investeren in decarbonisatie. Het aantal vrije emissierechten neemt jaarlijks af en het verschil moet op de primaire markt via veilingen en OTC secundaire markten worden ingekocht.

Daarmee blijft decarbonisatie een belangrijk agendapunt. Niet alleen voor bedrijven, maar ook voor de EU. De EU stimuleert verdere decarbonisatie via beleid (zoals EU ETS), subsidies en maatwerkafspraken. Voor de ETS-bedrijven geldt dat zij vooral gebaat zijn bij een meer structureel en transparant langetermijnbeleid, waarmee de langetermijnimpact van koolstofarme investeringen in kaart kan worden gebracht. Wanneer bedrijven besluiten om intensiever te investeren in decarbonisatie, dan nemen de koolstofkosten uiteindelijk af. Daarnaast gaan schone energie en koolstofarme technologieën gepaard met minder prijsvolatiliteit (van energie) en minder importafhankelijkheid (van energie). Op basis van het tempo in emissiereductie onder ETS-bedrijven sinds 2017 (tot aan 2024, dit is het post-Parijs reductiepad), zullen de koolstofkosten verder toenemen, parallel aan de stijgende trend van de CO2-prijs. In 2029 en 2030 kunnen deze kosten bijna verdubbelen ten opzichte van de trend van het 2030-doel. Dit vooruitzicht zal voor veel emissie-intensieve bedrijven overtuigend genoeg zijn om te blijven decarboniseren.

Conclusie

Het EU ETS speelt een cruciale rol in het verminderen van CO2-uitstoot en stimuleert bedrijven om te investeren in decarbonisatie, maar het huidige reductietempo is onvoldoende om het ambitieuze doel van 62% emissiereductie in 2030 te behalen. De stijgende CO2-prijs, die naar verwachting EUR 200 per ton bereikt in 2034, zal een steeds grotere financiële last vormen voor bedrijven die onvoldoende decarboniseren. Het emissiegat van 35% dat dreigt in Nederland als gevolg van het post-Parijs reductietempo, benadrukt de urgentie van koolstofarme investeringen, maar ook van structureel en transparant langetermijnbeleid. Alleen door intensievere investeringen in koolstofarme technologieën en schone energie kunnen bedrijven niet alleen hun kosten verlagen, maar ook bijdragen aan een duurzamere economie en verminderde exposure tegen volatiele energieprijzen. De komende jaren zullen cruciaal zijn om de balans te vinden tussen de economische concurrentiekracht en de hoogte van investeringen in decarbonisatie. De effectiviteit van het EU klimaatbeleid zal hierbij een belangrijke graadmeter zijn voor het halen van de klimaatdoelen.