Klimaateconomie & Energie Research - Nederland kan halen klimaatdoelen 2030 vergeten

PublicationMacro economy

De daling van de uitstoot van broeikasgassen in Nederland kwam in 2024 en 2025 vrijwel tot stilstand. Het kabinet-Jetten wil de uitstoot weer laten dalen, maar de beleidsmaatregelen hebben vóór 2030 waarschijnlijk weinig effect. Daardoor lijkt de kans dat Nederland het uitstootdoel voor 2030 haalt inmiddels vervlogen. Ook het EU-doel voor 2040 zal waarschijnlijk bij lange na niet worden gehaald, omdat het tempo van de uitstootvermindering naar verwachting na 2030 afneemt. Recente beleidsvoorstellen, waaronder de herziening van het EU-emissiehandelssysteem ETS en de Nederlandse plannen voor landbouw, natuur en stikstof, zullen naar verwachting ook van invloed zijn op het uitstootpad tot en met 2040. Per saldo lijkt het risico vooral bij een hogere uitstoot te liggen. Ook de kans dat Nederland in 2030 de bindende EU-doelen voor finaal energieverbruik en hernieuwbare energie haalt, is zeer klein.

Inleiding

In de eerste zeven jaar na het Klimaatakkoord van Parijs daalde de uitstoot van broeikasgassen in Nederland gemiddeld met 4,5% per jaar. In 2024 en 2025 kwam deze daling echter vrijwel tot stilstand. Eind september publiceerde het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL) de jaarlijkse Klimaat- en Energieverkenning (KEV) 2026 (zie hier). In dit rapport beoordeelt het PBL de voortgang van Nederland richting de klimaat- en energiedoelen. Ook brengt het in kaart wat de verwachte effecten zijn van bestaand en voorgenomen beleid op verschillende klimaat- en energie-indicatoren. In deze notitie geven we een overzicht van de belangrijkste bevindingen. Sinds de peildatum van de KEV zijn zowel op EU-niveau als in Nederland verschillende nieuwe beleidsmaatregelen aangekondigd. We bespreken ook wat de mogelijke gevolgen van deze maatregelen zijn.

Het is zeer onwaarschijnlijk dat de uitstootdoelen voor 2030 en 2040 worden gehaald

De uitstoot van broeikasgassen (BKG) in Nederland nam in 2025 met 0,2% toe, na een daling van 1,2% in 2024. De uitstoot daalde in de industrie en het binnenlandse verkeer, maar deze afname werd ruimschoots tenietgedaan door een sterke stijging in de elektriciteitssector. De belangrijkste oorzaak was een grotere buitenlandse vraag naar elektriciteit, vooral vanuit België en Duitsland, waaraan niet volledig met hernieuwbare elektriciteit kon worden voldaan. Tegelijkertijd droeg de sterke toename van het aandeel elektrische auto’s in de totale verkoop van nieuwe auto’s bij aan een lagere uitstoot door de binnenlandse mobiliteitssector. Dit aandeel steeg van 77% in 2024 naar bijna 86% in 2025 (zie hier). Ook de uitstoot door de industrie nam af. Volgens het PBL kwam dit echter vooral door een lagere productie in bepaalde sectoren en niet doordat de uitstoot per eenheid product daalde.

In 2025 lag de totale uitstoot van broeikasgassen 36% onder het niveau van 1990. Volgens de Europese en Nederlandse klimaatwetgeving moet de uitstoot in 2030 met 55% zijn verminderd ten opzichte van 1990. In 2050 moet de netto-uitstoot nul zijn. Dit betekent dat resterende uitstoot van broeikasgassen moet worden gecompenseerd door broeikasgassen uit de atmosfeer te verwijderen. De EU heeft daarnaast een wettelijk bindend doel vastgesteld om de uitstoot in 2040 met 90% te verminderen ten opzichte van 1990. Minimaal 85 procentpunt daarvan moet binnen de EU worden gerealiseerd; maximaal 5 procentpunt mag via internationale koolstofkredieten worden ingevuld. Nederland heeft geen officieel doel voor 2040. Het huidige kabinet-Jetten stelt in het coalitieakkoord wel dat Nederland zijn aanpak ‘zo nauw mogelijk’ zal laten aansluiten bij die van de EU. Over het uitstootdoel voor 2030 staat in het coalitieakkoord: ‘Het halen van het klimaatdoel voor 2030 wordt moeilijk, maar we blijven ons inzetten voor die ambitie.’

In 2025 bedroeg de uitstoot van broeikasgassen 145 megaton CO₂-equivalent (MtCO₂e). De KEV bevat twee ramingen voor 2030 en 2040. Het basispad omvat de effecten van beleid dat op 1 januari was vastgesteld of voorgenomen. De tweede raming neemt ook aanvullend beleid mee dat op 1 mei, de peildatum van de KEV, nog niet was vastgesteld, maar waarvan de effecten al wel konden worden geraamd. Om in 2030 een uitstootvermindering van 55% ten opzichte van 1990 te bereiken, zou de uitstoot in de komende vijf jaar met meer dan 30% moeten dalen. Volgens het PBL is dat zeer onwaarschijnlijk: de kans is kleiner dan 5%. Het beleid dat begin dit jaar was vastgesteld of voorgenomen, leidt naar verwachting in 2030 tot een uitstootvermindering van 46% tot 53% ten opzichte van 1990. Deze raming is nauwelijks veranderd ten opzichte van een jaar geleden. Met aanvullend beleid kan de vermindering één procentpunt hoger uitvallen, namelijk 47% tot 54%. Ook deze raming wijkt niet wezenlijk af van die van vorig jaar. Het PBL merkt daarbij op dat de aanvullende maatregelen van het kabinet-Jetten waarschijnlijk weinig effect hebben op de uitstoot vóór 2030, maar naar verwachting wel invloed hebben op de uitstoot in 2040.

Ten aanzien van het doel voor 2040 verwacht het PBL dat het tempo van de uitstootvermindering na 2030 afneemt. Op basis van vastgesteld en voorgenomen beleid ligt de uitstoot in 2040 naar schatting 57% tot 68% onder het niveau van 1990. Met aanvullend beleid kan de vermindering vier procentpunt groter zijn en uitkomen op 61% tot 72%. Dat blijft nog steeds ruim onder het doel om de binnenlandse uitstoot met 85% te verminderen. De ramingen voor 2040 zijn wel aanzienlijk onzekerder dan die voor 2030.

Recente klimaatbeleidsvoorstellen en economische factoren kunnen het uitstootpad veranderen

Sinds de peildatum van de KEV van het PBL (1 mei 2026) zijn verschillende wijzigingen in het klimaatbeleid aangekondigd die merkbare gevolgen kunnen hebben voor de uitstoot van broeikasgassen. De eerste wijziging betreft de uitstoot die onder het Europese emissiehandelssysteem (EU ETS) valt. Op 17 juli presenteerde de Europese Commissie een voorstel om dit systeem te herzien. Het PBL heeft het voorstel beoordeeld (zie hier) en concludeert dat de wijzigingen ertoe kunnen leiden dat de uitstoot binnen het EU ETS in 2050 33% hoger uitvalt. Ook ABN AMRO Group Economics heeft de voorgestelde wijzigingen geanalyseerd (zie hier). Een belangrijke conclusie is dat de ETS-prijzen naar verwachting het komende decennium stijgen, maar minder snel. In 2025 bedroeg de Nederlandse uitstoot binnen het ETS bijna 62 MtCO₂e, ongeveer 43% van de totale Nederlandse uitstoot. Het effect van de voorgestelde ETS-wijzigingen op de Nederlandse uitstoot is moeilijk precies vast te stellen. Toch wijzen de EU-ramingen van het PBL en onze eigen modelberekeningen, waarin het verwachte effect op de ETS-prijzen is meegenomen, erop dat de Nederlandse uitstoot in 2040 ongeveer 5 tot 8 MtCO₂e hoger kan uitvallen. Daardoor zou de verwachte uitstootvermindering ten opzichte van 1990 ongeveer 2 tot 4 procentpunt lager zijn.

Een andere relevante beleidswijziging is het pakket maatregelen voor landbouw, natuur en stikstof dat het kabinet-Jetten eind juni publiceerde. Het PBL heeft dit pakket beoordeeld (zie hier). Volgens het PBL kan dit pakket in 2035 leiden tot een extra vermindering van de broeikasgasuitstoot met 4 MtCO₂e ten opzichte van het basisscenario. Als alle overige omstandigheden gelijk blijven, kan de uitstootvermindering in 2040 ten opzichte van 1990 hierdoor ongeveer 2 procentpunt groter zijn. Dit compenseert een deel van de hogere uitstoot als gevolg van de eerder besproken herziening van het ETS. Per saldo lijken de twee aangekondigde beleidswijzigingen het risico op een hogere uitstoot echter te vergroten.

Een laatste factor die de ramingen van het PBL kan beïnvloeden, zijn de aannames over economische groei en energieprijzen, vooral de olie- en gasprijzen op korte termijn, tot 2030. De ramingen van het PBL tot en met 2030 zijn gebaseerd op de termijnprijzen voor energie eind 2025. Sinds het begin van dit jaar zijn de prijzen van olie, geraffineerde olieproducten zoals diesel, kerosine en benzine, en gas gestegen door geopolitieke spanningen en andere factoren. Zie bijvoorbeeld de meest recente marktanalyses van ABN AMRO over olie en gas hier en hier. Als de prijzen van fossiele brandstoffen langer hoog blijven, kunnen bedrijven en huishoudens minder fossiele brandstoffen gaan gebruiken. Daardoor kan ook de uitstoot van broeikasgassen afnemen. Zie bijvoorbeeld onze publicatie over het effect van hogere brandstofprijzen op het brandstofverbruik van Nederlandse automobilisten hier. Voor de geraamde gemiddelde economische groei tot en met 2030 lijken de verschillen tussen de aannames van het PBL en ABN AMRO relatief klein.

Ook de kans dat Nederland de EU-doelen voor finaal energieverbruik en hernieuwbare energie haalt, is klein

Het bindende EU-doel voor het finale energieverbruik in Nederland is vastgesteld op 1.609 petajoule (PJ) in 2030. Voor 2040 is geen doel vastgesteld. In 2025 daalde het finale energieverbruik met meer dan 30 PJ tot 1.673 PJ. Deze daling kwam vooral door een lagere productie in de basischemie. Ook in de mobiliteitssector nam het energieverbruik af, mede door de groei van het aantal elektrische voertuigen. Op basis van vastgesteld en voorgenomen beleid raamt het PBL het finale energieverbruik in 2030 op 1.646 PJ. De kans dat Nederland daarmee het EU-doel haalt, is 35% in het basispad van het PBL. Aanvullend beleid kan deze kans verhogen tot 40%. De raming voor het finale energieverbruik in 2030 is neerwaarts bijgesteld ten opzichte van de KEV 2025, vooral door een lager energieverbruik in de industrie. Tussen 2026 en 2030 zal het finale energieverbruik naar verwachting dalen in de industrie, het binnenlandse verkeer en de landbouw. In de luchtvaart en de gebouwde omgeving wordt juist een stijging verwacht. In de gebouwde omgeving komt dit vooral door het hogere elektriciteitsverbruik van datacenters.

Voor hernieuwbare energie geldt een bindend EU-doel: in 2030 moet 39% van het bruto-eindverbruik in Nederland uit hernieuwbare bronnen komen. In 2025 bedroeg dit aandeel 23%, een stijging van 2,5 procentpunt ten opzichte van 2024. Deze toename kwam vooral door een hogere productie van zonne-energie en een groter gebruik van biokerosine. Op basis van vastgesteld en voorgenomen beleid verwacht het PBL dat het aandeel hernieuwbare energie in 2030 uitkomt op 34%. De kans dat het doel wordt gehaald, is slechts 5%. Het PBL verwacht dat ongeveer de helft van de groei van de productie van hernieuwbare energie afkomstig zal zijn van windenergie, vooral van windparken op zee. De raming van het aandeel hernieuwbare energie in 2030 is verhoogd ten opzichte van een jaar geleden, toen het PBL nog uitging van 32%. Dit komt door een hoger verwacht gebruik van omgevingswarmte via warmtepompen en biodiesel in het wegverkeer, en door een hogere productie van windenergie op zee. Tegelijkertijd zijn de ramingen voor zonne-energie, windenergie op land en geothermie licht verlaagd. Een recent onderzoeksrapport van ABN AMRO Group Economics (zie hier) geeft een uitgebreide analyse van het groeipotentieel van windenergie op zee, de kostenontwikkeling, de netinfrastructuur en de financieringsvoorwaarden. Volgens het rapport maken trage planningsprocedures, netcongestie, complexe toeleveringsketens en financieringsproblemen het onzeker of de EU-doelen haalbaar zijn.

Conclusie

De kans dat Nederland de Europese klimaatdoelen voor 2030 haalt, lijkt inmiddels vervlogen. Ook de doelen voor 2040 lijken ver buiten bereik. Het huidige kabinet neemt wel maatregelen om de uitstoot weer in de gewenste richting te brengen. Toch neemt de kans toe dat Nederland later in korte tijd veel ingrijpendere, abruptere en minder voorspelbare maatregelen moet nemen om alsnog aan de Europese klimaatdoelen te voldoen.