Ambitieus minderheidskabinet heeft steun nodig van oppositie

PublicationMacro economy

D66, VVD en het CDA vormen een minderheidskabinet. Zonder te kunnen leunen op een meerderheid in zowel de Tweede als de Eerste Kamer zal het uitvoeren van het coalitieakkoord een uitdaging zijn. Het coalitieakkoord brengt nieuwe balans aan tussen consumptieve overheidsuitgaven en investeringen. Een begrotingstekort van 2% wordt als limiet gezien, mogelijk om ruimte te laten voor wensen voor de oppositie.

Jetten wordt premier van minderheidskabinet met CDA en VVD

Vandaag hebben D66, de VVD en het CDA hun coalitieakkoord gepresenteerd na een relatief kort formatieproces. Dit was hard nodig gezien de verhoogde beleidsonzekerheid van de afgelopen jaren. Tegen de tijd dat het nieuwe kabinet wordt beëdigd – verwacht op 23 februari – zal Nederland 45% van de tijd sinds 2020 onder een demissionaire regering hebben doorgebracht. De uitdagingen waar de nieuwe regering voor staat zijn aanzienlijk en de wensenlijst voor beleidswijzigingen was lang. Deze wensen varieerden van binnenlandse kwesties zoals verminderde concurrentiekracht, bindende stikstofnormen en het NAVO‑doel voor defensie-uitgaven van 3,5% van het bbp, tot openstaande rekeningen van de vorige regering, zoals EU‑bijdragen. In grote lijnen zien we drie overkoepelende conclusies. Ten eerste streeft dit akkoord naar een betere verdeling tussen consumptie‑ en investeringsuitgaven door verschillende beleidsmaatregelen van de vorige regering terug te draaien, zoals bezuinigingen op onderwijs. Over het geheel genomen wil het kabinet meer investeren, ten koste van uitgaven aan gezondheidszorg en sociale zekerheid. Ten tweede erkent het akkoord de capaciteitsgrenzen van de economie en wil het deze verlichten door het stikstofprobleem en de netcongestie aan te pakken. En ten derde geldt dat alle plannen, vanwege de minderheidsstatus, steun van de oppositie nodig zullen hebben (zie hieronder).

Uitvoering afhankelijk van steun van de oppositie

Het kabinet‑Jetten in wording zal een minderheidsregering vormen die steunt op 66 zetels in de Tweede Kamer (76 nodig voor een meerderheid). Ook in de Eerste Kamer heeft de coalitie slechts 22 zetels (38 nodig voor een meerderheid). Dit betekent dat voor elke beleidsmaatregel steun van de oppositie nodig is in beide Kamers. De oppositie heeft aangegeven bereid te zijn om samen te werken, maar zal waarschijnlijk zeer kritisch zijn en waarschijnlijk elders in het beleid concessies proberen af te dwingen, zelfs als zij het inhoudelijk met voorstellen eens is. Cruciaal wordt de rol van GroenLinks/PvdA, de grootste oppositiepartij, die de benodigde stemmen kan leveren voor een meerderheid in de Tweede Kamer en de coalitie in de Eerste Kamer een eind op weg helpt naar een meerderheid. De voorgestelde bezuinigingen op zorg en sociale zekerheid staan echter haaks op hun partijprogramma. In het algemeen geldt dat door de minderheidsstatus het risico groot is dat de vandaag voorgestelde plannen worden afgezwakt of slechts deels worden uitgevoerd vanwege oppositie-eisen.

Regering houdt vast aan begrotingsdiscipline

De minderheidsstatus heeft ook budgettaire gevolgen. Door het begrotingstekort te beperken tot 2% van het bbp, in lijn met het advies van de Studiegroep Begrotingsruimte, lijkt het kabinet wat financiële ruimte te laten voor wensen van de oppositie. De focus op een tekort van 2% van het bbp impliceert dat de Nederlandse overheid vasthoudt aan traditionele begrotingsdiscipline, ondanks geruchten dat CDA en D66 voor hogere tekorten waren om investeringen te financieren. Extra uitgaven – bijvoorbeeld aan defensie, huisvesting en stikstofmaatregelen – worden gefinancierd door bezuinigingen op zorg, sociale zekerheid en ambtenaren. Expliciete Eurobonds worden uitgesloten, ondanks dat D66 voorstander is van gemeenschappelijke financiering en het CDA tijdens de verkiezingen een constructievere houding innam. In plaats daarvan stelt het nieuwe coalitieakkoord dat gezamenlijke investeringen zoals Europese defensie‑investeringen kunnen worden vormgegeven via bestaande instrumenten zoals het European Defence Fund en het European SAFE‑instrument.

Aangezien de oppositie een belangrijke rol speelt bij het verkrijgen van meerderheden in zowel de Tweede als de Eerste Kamer, worden stevige onderhandelingen over de financiering van de plannen verwacht. Het kan daardoor lastig worden voor de coalitie om het begrotingstekort daadwerkelijk tot maximaal 2% te beperken.

Houding ten opzichte van de EU wordt constructiever

Het kabinet laat in internationale zaken een duidelijke koerswijziging zien ten opzichte van de vorige regering. Dit blijkt vooral in Europese dossiers. Het nieuwe kabinet ziet Nederland als een constructieve lidstaat binnen de EU en steunt meer samenwerking op het gebied van veiligheid, defensie en economische integratie, bijvoorbeeld door voltooiing van de interne markt en de kapitaalmarktenunie. Dit is een breuk met de vorige regering, die regelmatig botste met de EU te midden van moeilijk te verifiëren signalen dat de Nederlandse invloed in Brussel afnam.

Klimaatbeleid kan relatief sterke steun vanuit de oppositie krijgen

De belangrijkste klimaatgerelateerde maatregel die in het coalitieakkoord is aangekondigd, heeft betrekking op de onderling verbonden kwesties van stikstofuitstoot, landbouw en natuur. Het nieuwe kabinet trekt EUR 20 miljard uit (gelijk aan 1,8% van het nominale bbp) om de stikstofproblemen in het land eindelijk aan te pakken en wil nieuwe, wettelijk bindende stikstofreductiedoelen per sector vastleggen voor 2035, met een tussendoel voor 2030. Sinds 2019 zit de Nederlandse economie deels ‘op slot’ doordat er te veel stikstof wordt uitgestoten. Hierdoor werd het bijna onmogelijk om vergunningen te verkrijgen voor grote infrastructuurprojecten of woningbouw. Het huidige kabinet wil het land weer op koers brengen bij het terugdringen van stikstofdepositie in de Natura 2000-gebieden. Wat betreft andere klimaatgerelateerde beleidsmaatregelen blijft de regering zich committeren aan het behalen van de doelstellingen voor 2030, 2040 en 2050 uit de EU‑Klimaatwet, hoewel “het doel van 2030 lastig wordt”. De nationale CO₂-heffing voor bedrijven wordt afgeschaft, en er wordt EUR 3 miljard besteed om bedrijven te compenseren voor hogere energiekosten als gevolg van EU‑ETS‑prijzen en de stijgende elektriciteitsprijzen.

Op basis van de uitslag van de Tweede Kamerverkiezingen en de klimaatvoorstellen uit de verkiezingsprogramma’s van de belangrijkste partijen, lijkt het erop dat het klimaatbeleid van het nieuwe minderheidskabinet relatief sterke steun vanuit de oppositie kan krijgen. Zoals we in een eerdere onderzoeksnotitie al hebben aangegeven (zie hier), is het uiterst onwaarschijnlijk (kans < 5%) dat Nederland de EU-doelen voor broeikasgasuitstoot, primair energiegebruik en het aandeel hernieuwbare energie zal halen. Daarom zijn aanvullende en structurele klimaatmaatregelen noodzakelijk. De belangrijkste partij die steun zou kunnen geven aan klimaatvoorstellen van de nieuwe regering is Groen Links/PvdA, die 20 zetels in de Kamer heeft. Deze partij heeft een uitgesproken pro‑klimaathouding, ondersteund door duidelijke en ambitieuze klimaatdoelen. Als zij vóór het regeringsbeleid zou stemmen, kan een comfortabele meerderheid worden behaald. Andere kleinere partijen, zoals de Christen Unie en Volt, hebben eveneens een pro‑klimaathouding en zouden ook voor voorstellen van het kabinet kunnen stemmen.