Spotlight - Een perfecte storm voor voedingsinflatie?

Voedingsinflatie bleef de afgelopen kwartalen beperkt, maar voorlopende indicatoren wijzen erop dat de opwaartse druk toeneemt en wij verwachten dat de voedingsinflatie eind 2026 en in 2027 weer zal oplopen. Opnieuw werden hitte- en droogterecords gebroken in de EU en de VS, wat naar verwachting opwaartse druk zal zetten op de Europese voedingsprijzen. De impact van El Niño zal waarschijnlijk gemengder zijn. Ons basisscenario gaat ervan uit dat stijgende voedingsprijzen op hun hoogtepunt in het derde kwartaal van 2027 0,5 procentpunt toevoegen aan de HICP-inflatie in de eurozone.
De voedingsinflatie is de afgelopen kwartalen beperkt gebleven. Dit gunstige beeld zal echter waarschijnlijk niet aanhouden. Voorlopende indicatoren wijzen erop dat de opwaartse druk toeneemt en wij verwachten dat de voedingsinflatie eind 2026 en in 2027 weer zal stijgen. Deze stijging wordt waarschijnlijk veroorzaakt door hogere prijzen van agrarische grondstoffen, (verwachte) weersgerelateerde verstoringen en hernieuwde energiedruk. Tegelijkertijd zijn er verschillende factoren die de impact op de voedingsinflatie dempen. Wereldwijde voorraden blijven ruim, veel bedrijven zijn beschermd door bestaande energiecontracten en retailers lijken terughoudend om hogere kosten volledig door te berekenen aan consumenten.

Voedingsprijzen worden bepaald door een breed scala aan factoren. Agrarische grondstoffen zijn goed voor ongeveer 40% van de productiekosten van voeding in de EU, terwijl de overige 60% bestaat uit factoren zoals arbeid, energie, transport en verpakking [1]. De druk neemt aan beide kanten toe.
Weersontwikkelingen kunnen een belangrijke drijver zijn voor de prijzen van agrarische grondstoffen. Om te beginnen zijn deze zomer opnieuw hitte- en droogterecords gebroken in de EU en de VS, wat naar verwachting opwaartse druk zal zetten op de Europese voedingsprijzen (zie onze eerdere publicaties hier en hier). De gewasprognoses van de EU van augustus (zie ) laten zien dat de opbrengstverwachtingen voor zomergewassen fors naar beneden zijn bijgesteld. Gemiddeld tot ongeveer 7% onder het vijfjaarsgemiddelde, hoewel de impact sterk verschilt per gewas. Daarnaast wijzen prognoses erop dat zich in 2026-27 een zeer sterke El Niño zal ontwikkelen, die mogelijk een ongekende intensiteit bereikt (zie ). Een dergelijke gebeurtenis kan gevolgen hebben voor het aanbod van een breed scala aan wereldwijd verhandelde agrarische grondstoffen, waaronder koffie, suiker, rijst, cacao, sojabonen, plantaardige oliën, maïs en tarwe, waarvan sommige in aanzienlijke hoeveelheden in de EU worden ingevoerd.
Bij het beoordelen van de mogelijke impact van weersgerelateerde veranderingen in het aanbod van agrarische grondstoffen op voedingsprijzen in Europa en Nederland is het belangrijk rekening te houden met de beschikbare voorraden van deze grondstoffen, evenals met de mogelijkheid om aanbodtekorten op te vangen door substitutie met alternatieve producten of door hogere import. Een andere factor om mee te nemen is dat El Niño niet alle agrarische grondstoffen op dezelfde manier beïnvloedt. Terwijl de prijzen van sommige grondstoffen, zoals sojabonen, tijdens El Niño-periodes doorgaans dalen, stijgen de prijzen van andere, waaronder koffie en cacao, juist vaak. Daardoor zal de totale impact op Europese voedingsprijzen waarschijnlijk heterogeen zijn en onderhevig aan aanzienlijke onzekerheid (zie bijvoorbeeld het rapport van het Joint Research Centre van de Europese Commissie ). Schattingen moeten daarom met de nodige voorzichtigheid worden geïnterpreteerd. Als vuistregel geldt echter dat een daling van de Europese zomergewassen vergelijkbaar met die hierboven beschreven, de totale voedingsprijzen in de EU met ongeveer 1-3% zou kunnen verhogen. De impact van El Niño zal waarschijnlijk gemengder zijn, maar de meeste studies wijzen op een netto opwaarts effect op voedingsprijzen dat gedurende een langere periode kan aanhouden [2] (zie bijvoorbeeld een rapport van de ECB over dit onderwerp ). El Niño kan de stijging van voedingsprijzen zelfs boven de hierboven genoemde bandbreedte uit laten komen, terwijl een uitzonderlijk sterke El Niño-gebeurtenis de geschatte impact van hitte en droogte in Europa mogelijk zou kunnen verdubbelen. Alles bij elkaar genomen gaat ons basisscenario ervan uit dat stijgende voedingsprijzen op hun hoogtepunt in het derde kwartaal van 2027 0,5 procentpunt toevoegen aan de HICP-inflatie in de eurozone, waarmee het waarschijnlijk neerwaartse effect van energieprijzen op dat moment wordt gecompenseerd.

Een andere factor die de landbouwmarkten beïnvloedt, is de stijging van specifieke kunstmestprijzen als gevolg van het conflict in Iran. Hoewel de impact aanzienlijk minder groot is dan tijdens de kunstmestschok na de Russische invasie van Oekraïne, kunnen aanhoudende tekorten – vooral in ontwikkelingslanden – extra druk zetten op toekomstige oogsten. In Europa blijft het effect voornamelijk beperkt tot een prijsschok voor boeren en niet tot beschikbaarheidsproblemen.
Tegelijkertijd gaan landbouwmarkten deze periode in vanuit een relatief sterke uitgangspositie. De wereldwijde voorraadniveaus van bijvoorbeeld granen, tarwe en rijst zijn historisch hoog, wat helpt om de impact van ongunstige weersomstandigheden op prijzen op te vangen. Bovendien wordt een groot deel van de agrarische grondstoffen vooraf gecontracteerd in plaats van op spotmarkten ingekocht. Daardoor werken stijgingen van grondstofprijzen meestal geleidelijk en slechts gedeeltelijk door in de voedingsinflatie.
Hoewel ontwikkelingen in agrarische grondstoffen doorgaans de meeste aandacht krijgen, komt het grootste deel van de productiekosten van voeding elders vandaan. De hernieuwde stijging van energieprijzen na het conflict in Iran zet de productie van voeding onder druk, zowel direct via energiekosten als indirect via transport, verpakking en andere inputs. Hoewel bedrijven nog relatief goed beschermd zijn door bestaande energiecontracten, zal de kostendruk toenemen zodra deze contracten aflopen. Ook arbeidskosten zijn een bron van druk. In Nederland stegen de cao-lonen in de voedingsmiddelensector in het tweede kwartaal van 2026 met 4% op jaarbasis, wat laat zien dat de loondruk hoog blijft. Aangezien arbeid ongeveer 15% van de totale productiekosten uitmaakt, zijn loonontwikkelingen eveneens relevant voor de voedingsinflatie. Naast de impact op prijzen van agrarische grondstoffen hadden de hitte en droogte in Europa deze zomer ook een indirect effect op voedingsprijzen, via hogere transportkosten als gevolg van uitzonderlijk lage waterstanden in belangrijke rivieren zoals de Rijn en de Donau. Dit is ook zichtbaar in recente PMI’s, die wijzen op stijgende transportkosten en druk op de toeleveringsketen. Tot slot kunnen ook overheidsmaatregelen invloed hebben op de voedingsinflatie, zoals de geplande beperkte indexatie van de accijnzen op alcohol in Nederland vanaf 1 januari 2027.
Een belangrijk verschil met eerdere inflatiegolven is dat de prijszettingsmacht naar verwachting zwakker zal zijn. Na meerdere jaren van sterke prijsstijgingen zijn de onderhandelingen tussen supermarkten en leveranciers uitdagender geworden. Retailers lijken terughoudender om hogere kosten rechtstreeks door te berekenen aan consumenten, waardoor de kans toeneemt dat een deel van de schok wordt opgevangen in producentenmarges. Dit wijst op een kleinere doorwerking van kostenstijgingen dan in eerdere perioden.
Voedingsinflatie is bijzonder relevant omdat zij een grote rol speelt bij de vorming van inflatieverwachtingen van huishoudens. Consumenten kennen hier doorgaans een onevenredig groot gewicht aan toe wanneer zij inflatieontwikkelingen beoordelen. Daardoor kan voedingsinflatie ook invloed hebben op looneisen en daarmee het risico op tweederonde-effecten vergroten. Omdat de stijging van voedingsprijzen plaatsvindt op een moment waarop de omstandigheden voor de algemene inflatie ongunstiger zijn, besteedt ook de ECB veel aandacht aan de voedingsinflatie, zoals bleek tijdens de recente vergadering van de Raad van Bestuur (lees ).

